De slimme weg naar een passend sociaal netwerk

door Kees Schepel

 

Workshop op de Landelijke Netwerkdag van de Stichting Pelita op 19 september 2015 onder leiding van Jeanny Vreeswijk-Manusiwa (Djalan Pienter) en Shirley Ramdas (JSO, Gouda)

 

Vrijwilligers kunnen het dagelijks leven van een oudere draaglijker maken, zij kunnen de professional bijstaan in een woonzorgcentrum, zij kunnen de mantelzorger ontlasten. Maar wat als de oudere geen bemoeienis van die vreemde vrijwilliger duldt? Wat als het de mantelzorger teveel wordt?

Met bovenstaande als premisse was het de bedoeling te komen tot een uitwisseling van ervaringen enerzijds en anderzijds tot een aantal handreikingen, tips hoe een passend sociaal netwerk op te bouwen, in te schakelen en te versterken.

Er werd gewerkt aan de hand van een voorgelegde casus:
Een oudere man van 78 jaar, enigszins slechthorend, vergeetachtig en door zijn omgeving bestempeld als zijnde ‘gewoon een brombeer’. Zijn vrouw is drie jaar geleden overleden, hij heeft twee kinderen. Met een van hen heeft hij ruzie, en de andere woont niet in de buurt. Een keer in de twee weken krijgt hij hulp bij het huishouden (steeds iemand anders).
In de wijk is er tweemaal per week dagopvang voor Indische en Molukse ouderen. Een vrijwilliger van de dagopvang hoort van de buren dat hij altijd thuis blijft en geen bezoek ontvangt. Uit zichzelf vertelt hij niet veel. De buren vertellen ook dat hij de laatste tijd wel erg magertjes is. De vrijwilliger neemt contact met hem op en vertelt over de dagopvang. Maar hij weigert, hij vindt het niets voor hem…
Wat kun je doen als vrijwilliger?

In eerste instantie werd besproken dat steeds moet gelden dat het van groot belang is het vertrouwen van deze man te winnen, om zijn ‘taal’ te spreken. Hij wil waarschijnlijk in eerste instantie vooral gehoord worden. Het is dan ook belangrijk niet steeds iemand anders naar hem toe te laten gaan, en hem overal bij te betrekken.
Vervolgens is het van belang in kaart te brengen wat er al aan netwerk is.

Een eerste stap lijkt het benaderen van de zoon waar hij goed mee is. Vervolgens bijvoorbeeld het kerkgenootschap of verenigingen of clubs waar hij eventueel bij aangesloten is. Dan wellicht zijn buren, die immers aan de bel getrokken hebben. Of de huishoudelijke hulp.
Belangrijk is vervolgens om in te schatten hoe het met de verschillende relaties staat. En om te bezien wat hij leuk vindt. Heeft of had hij hobby’s, interesses die hij allicht deelt met anderen?
Hiervandaan kun je dan gaan kijken of er aanknopingspunten zijn om verder te gaan. Door blijvend vertrouwen te wekken, door aandacht te geven. Gun hem ook de tijd waarin hij nog niet zoveel kwijt wil. Allicht begint hij daarna juist wel te praten.
Misschien wil meneer toch naar de dagopvang, maar ziet hij het nu niet zitten omdat hij er niet van overtuigd is dat er daar sprake is van activiteiten of andere bezoekers waarbij hij aansluiting zou kunnen vinden.

Het is in ieder geval van belang door gesprekken met meneer een beeld van hem te krijgen, en hem zodoende wellicht ook een beter beeld van zichzelf te laten krijgen.
Misschien zou hij al erg geholpen zijn met een ‘maatje’. Iemand met wie hij een verleden deelt of een belangstelling.

Gezien de leeftijd van meneer is het verder zeer wel mogelijk dat hij oorlogsgetroffene is. In dat geval zou er via Stichting Pelita een ingang kunnen zijn. Wellicht dat een introductie bij Pelita activiteiten (Masoek Sadja, Eettafel) dan een eerste aanzet zou kunnen zijn om te komen tot een sociaal netwerk.

Samenvattend: Ga steeds uit van het gericht aandacht geven en blijven geven. Zo krijg je inzicht in wat er al aan netwerk is. Vervolgens is de kwestie hoe dat netwerk eventueel verder uit te breiden, en uiteindelijk blijvend te versterken.

Shirley Ramdas kwam met een aantal aanbevelingen over netwerken. Zo stelt zij dat het ‘net werken’ is, niet iets wat je zomaar eventjes doet. Hou in de gaten dat je vooral heel dicht bij degene waar het om gaat begint; win het vertrouwen. Dit vraagt nogal wat van een vrijwilliger, aan inzet, inzicht en tijd, maar ook scholing. Kijk ook naar de kwaliteit van het netwerk. We kijken al gauw naar familie en vrienden, buren, maar vaak is er ook al een lijn met professionals of een instelling voor thuiszorg, of een wijkteam. Er is altijd iets om mee te beginnen. Probeer alles bij elkaar te brengen, maar laat het daar niet bij; je moet vervolgens ook verder gaan.

In meer algemene zin bracht Jeanny Vreeswijk-Manusiwa de zogenaamde keukentafelgesprekken ter sprake. Die zijn op veel plekken in het land een aanfluiting. De onafhankelijke cliëntondersteuner waar iedereen recht op heeft is vaak niet onafhankelijk, maar toegewezen. Het is zaak om die cliëntondersteuners zelf te gaan opleiden, en dat willen we vanuit Djalan Pienter gaan doen.

 

 

Djalan Pienter Inspiratie dag, 2 juli 2015, Rumah Kita

door Kees Schepel

 

Op 2 juli jongstleden vond in verpleeghuis Rumah Kita in Wageningen de Djalan Pienter inspiratie dag plaats. Buiten was de temperatuur van Sahara gehalte, binnen deed de klimaatbeheersing naarstig zijn best. Djalan Pienter, ‘de slimme weg’, is een samenwerkingsverband van Woonzorgcentrum Raffy, Stichting Pelita en de Landelijke Stuurgroep Molukse Ouderen (LSMO), met als doel het inzetten en verspreiden van de bij deze organisaties aanwezige kennis en ervaring op het gebied van cultuurspecifieke zorg en welzijn voor Indische en Molukse ouderen.

Voor deze dag in het gastvrije Rumah Kita waren een vijftigtal vertegenwoordigers van niet alleen de samenwerkende organisaties, maar ook van Nusantara (Rumah Saya, Patria, Rumah Melati) en de al in het Djalan Pienter Kennisnetwerk deelnemende zorgorganisaties als WZ Haaglanden – de Waterhof, Humanitas – De Evenaar, Tante Louise-Vivensis en Zinzia – Rumah Kita, aanwezig. Na een openingswoord van Harriet Ferdinandus, directeur van de Stichting Pelita, leidde dagvoorzitter Wim Manuhutu de dag verder in.

Er werd vervolgens in groepen uiteen gegaan om in tafelgesprekken de ervaringen met het Djalan Pienter scholingsprogramma tot nu toe te bespreken. Hieruit kwam naar voren dat er veel waarde gehecht wordt aan de trainingen. Het verschil tussen voor en na is groot. Er is sprake van meer bewustwording, meer begrip voor de bewoners. Bovendien werd er in veel gevallen een stimulans ervaren om ook zelf verder te gaan kijken. Daarnaast is het zo dat al getraind personeel de opgedane kennis ook doorgeeft aan de collega’s. Met het oog op de toekomst werd verder aangegeven dat er behoefte is aan zowel het opfrissen van al opgedane kennis als aan het dieper ingaan op bepaalde deelgebieden.

Aan een aantal tafels werd ook geopperd dat  er in de nabije toekomst ook meer en meer naar de extramurale setting gekeken moet gaan worden, naar de wijken om de verschillende huizen heen. Juist in de situatie dat steeds meer ouderen langer thuis blijven wonen lijkt dit van steeds groter belang te gaan worden. In meer algemene zin werd tenslotte aangegeven dat het goed zou zijn als er meer samenwerking zou komen tussen de Indische en Molukse organisaties in het algemeen, om de dan te verzamelen kennis en kunde beter te kunnen benutten.

Nog voor de lunch werd vervolgens de Djalan Pienter Kennis Netwerk overeenkomst ondertekend door vertegenwoordigers van Humanitas, WZ Haaglanden, Tante Louise-Vivensis, Zinzia en Raffy, Pelita en LSMO.

Na de lunch werd men in drie groepen ingedeeld, waarna iedere groep een ruimte kreeg toegewezen waar men in drie sessies drie verschillende workshops kreeg voorgeschoteld, die leken vooruit te wijzen naar toekomstige verdiepingsmodules. Het ging om Traumasignalering, gegeven door Josefien Sjoerds (Pelita), om Palliatieve & Complementaire Zorg, door Loes van der Velde en Jeannet Marijnissen (Raffy), en tenslotte de workshop  Interculturele Communicatie en Bejegening, door Rein Sohilait.

Door de veelheid aan informatie en vooral door de hitte was vervolgens het afsluitende hapje en drankje meer dan welkom.  Programmaleider Jeanny Vreeswijk-Manusiwa vatte de dag tenslotte pakkend  samen als een dag vol inspiratie, motivatie en transpiratie.

 

 

Uit de praktijk

door Kees Schepel

 

Je geliefden wegbrengen naar een tehuis is nooit prettig. Vader of moeder weghalen uit de vertrouwde omgeving, om hem of haar dan met die paar spulletjes die meekunnen af te leveren op een vreemde plek, in een merkwaardig geurend en kil aanvoelend ‘nieuw’ nest. Je wenst het niemand toe, maar het is de praktijk van alle dag.

En als het nou gaat om een ouder (echt)paar, waarvan de ene helft de andere niet meer thuis kan houden. Er is teveel verzorging nodig, zoveel dat er geen mantelzorg meer tegenop kan. Lichamelijke verzorging is dan een, maar als het spook van de dementie ook al is gaan waren, wat dan? Weg gehaald worden uit de vertrouwde omgeving komt dan, hoe noodzakelijk allicht ook, nog harder aan.

In de afgelopen weken heb ik in de dagelijkse praktijk bij de Stichting Pelita, werkend met en voor Indische en Molukse ouderen, twee voorbeelden daarvan meegemaakt.

Bij een echtpaar uit Roosendaal, 65 jaar getrouwd, gebeurde het dat mevrouw door een snel voortschrijdende dementie naar een verpleeginstelling moest. Voor mijnheer was er geen reden voor een indicatie, maar omdat hij aangaf dat hij niet te ver bij zijn vrouw vandaan wilde kreeg hij alsnog een indicatie, en kon hij terecht in een iets verderop in dezelfde zorginstelling gelegen ’zorg’ woning. Van die woning maakt hij nu, ruim een half jaar later, slechts gebruik om er te slapen. Overdag is hij bij zijn vrouw, maar vooral in hun laatste gezamenlijke woning. Daar is hij is al die maanden bezig geweest de boel leeg te ruimen. Dat wil zeggen, dat is de bedoeling. Hulp heeft hij niet of nauwelijks; de kinderen wonen zo ver weg dat zij zelfs niet ieder weekend kunnen komen. En zelf komt hij er niet toe om spullen weg te gooien. Hij vindt dat ‘zonde’ bij mooie nieuwe meubelen en emotioneel te moeilijk als het gaat om de overblijfselen van een mensenleven lang samen zijn met zijn echtgenote.
De zorg om haar heeft ook tot gevolg dat hij er zich niet toe kan zetten. Hij ziet haar verdwijnen in een donker gat. Hij ziet en voelt aan haar hoe ongelukkig zij is. Hij ziet hoe zij opfleurt als hij bij haar is, of als er familie langs komt; als zij kortom aandacht krijgt. Hij kan en wil het het personeel niet verwijten, zij hebben eenvoudig de tijd niet om zich om haar te bekommeren. Maar hij merkt ook dat er voor een groot deel ook gewoon sprake is van onbegrip. De woordjes Maleis die zij af en toe gebruikt ketsen af op een muur.

Bij een echtpaar in Kerkrade is het juist de dementie bij de man die er uiteindelijk toe leidde dat hij moest worden opgenomen. Zijn vrouw heeft hem zolang als zij dat kon zelf thuis verzorgd. Toen zij thuis een kleine beroerte kreeg was dat een duidelijk signaal dat het haar teveel geworden was. Haar man werd op een gesloten afdeling opgenomen, en de verhalen over hoe zij dagelijks afscheid nemen zijn hartverscheurend. Hij huilt aan de ene kant van het glas, en zij aan de andere kant. Hij is al eens weggeglipt, en toen door een buschauffeur die hem herkende thuis afgeleverd. Mevrouw, zelf van Surinaamse afkomst, ziet hoe ongelukkig haar man is, en ook zij bemerkt bij het personeel niet zozeer onwil als wel onbegrip. Zij neemt dagelijks eten voor hem mee, omdat hij het eten daar niet eet. Zij wast hem dagelijks, en na iedere gang naar het toilet, omdat hij dat zo gewend is, maar men dat daar niet doet, niet kan doen uit gebrek aan tijd.

In beide gevallen zou je kunnen bedenken dat dit evengoed met ‘Nederlandse’ dementerenden zou kunnen gebeuren, en dat is ongetwijfeld ook zo. Maar als je wat verder kijkt dan de neus lang is, dan wordt duidelijk dat het hier ook gaat om onbegrip, maar vooral een gebrek aan kennis over elkaars historische en culturele achtergrond. Het is niet alleen dat het personeel geen of te weinig weet heeft van de, in deze gevallen, Indische achtergrond van de ouderen, maar omgekeerd kan evengoed een gebrek aan kennis van de achtergrond van de verzorgenden gelden. Het klinkt zo simpel, maar kennis van elkaars achtergrond kan een hoop onbegrip voorkomen.